Bij het maandblad dat ik krijg thuisgezonden, zat deze keer een dikke envelop. “Campaign for Tibet” stond er met grote letters op, en verder de tekst: “Tibetaanse gebedsvlaggen bijgevoegd.” In de envelop een brief van de directeur van de stichting, Tsering Jampa. Daarin deed zij uit de doeken hoe de Chinezen sinds hun inval in 1950 aan het huishouden zijn in haar land. Meer dan 6000 kloosters zijn vernield en tienduizenden monniken zijn vermoord of naar werkkampen gestuurd. Het is heel erg allemaal. En vooral onbegrijpelijk. Want wat moet je nou met Tibet? Het is overal ongelijk, het klimaat is bar en boos, er zit geen olie in de grond en het Tibetaanse volk houdt liever gebedsrollen aan de draai dan betonmolens.
Terwijl ik de brief zat te lezen, nuttigde ik mijn ontbijt en voelde hoe een hard stukje van de salami tussen mijn tanden bleef steken. Terwijl ik het er probeerde uit te pulken met mijn nagel, las ik dat ik een belangrijke bijdrage kan leveren aan het oplossen van het probleem: een petitie ondertekenen en een geldbedrag overmaken naar de stichting. Daar begin ik niet aan. De kans dat er ook maar één Chinees zegt: “Oei, nou wordt het link, Van Duren heeft ook getekend” acht ik nihil. En als ik zeker weet dat een geldelijke bijdrage geen enkel effect heeft, doe ik ook niet mee. Dan maar weer een schuldgevoel.
Terwijl ik nog steeds verwoed zat te pulken, las ik op het eind van de brief dat ik de zaak ook vooruit kon helpen door de gebedsvlaggen op een prominente plaats in mijn huis op te hangen. Dat leek me wel wat. Solidariteit betuigen zonder dat het geld kost, is een goede zaak. Dus ging ik op zoek naar de vlaggen. “Handmade in Nepal by Tibetan Handicraft Industry” stond er op de omslag van het pakketje. De inhoud viel tegen. De Tibetaanse vlaggen bleken vijf verschillend gekleurde papiertjes van zes bij zes centimeter met exact dezelfde opdruk die allemaal nogal slordig aan een touwtje waren geplakt. Met de beste wil van de wereld kon ik geen prominente plek in mijn huis bedenken waar ik dit armzalige prutswerk tot zijn recht kon laten komen. Nadat ik de hele handel in de oudpapierdoos had gegooid, ging ik op zoek naar flosdraad. Want die salami begon me behoorlijk te irriteren. Als ze me voor de keus zouden stellen: alle problemen in de wereld worden opgelost maar dan moet jij wel voor eeuwig rondlopen met dat stukje salami tussen je tanden, dan weet ik het zo net nog niet. Terwijl ik dit bedacht, schoot me plotseling het touwtje van de Tibetan Handicraft Industry te binnen. Één keer flossen en ik had de boosdoener al te pakken. Wat een opluchting. Leve het Tibetaanse volk in ballingschap! Uit dankbaarheid heb ik de vlaggen opgehangen, de petitie getekend en een tientje overgemaakt.
Theo van Duren









0 Reacties